top of page
Zoeken
  • emmischumacher

Interview met Fred Zurel

Het 4 mei comité Oosterparkbuurt heeft als doel om zoveel mogelijk verhalen uit de buurt te verzamelen. Dat doen we door middel van verhalenposters en de jaarlijkse herdenking op 4 mei, maar ook op andere manieren. We vragen ons af: wie woonden er voor en tijdens de Duitse bezetting in de Oosterparkbuurt, en wat is er tijdens en na de oorlog met deze buurtbewoners gebeurd? Dit is het verhaal van Fred Zurel. Fred Zurel woonde in 1943 op de Derde Oosterparkstraat 125, samen met zijn ouders, Mozes en Kaatje, en zijn broertjes Robert en André. Robert was zes jaar, André vijf jaar, en Fred bijna één jaar. De meeste van zijn familieleden - opa’s, oma’s, ooms, tantes, neefjes en nichten - woonden ook in Amsterdam. ‘Ik begin altijd bij mijn grootmoeder, van mijn vaders kant. Ze heeft twaalf kinderen gekregen, waarvan er tien volwassen zijn geworden. Twee zijn voordat ze één jaar waren overleden.

Zeven van de kinderen waren al voor de oorlog getrouwd. Eén oom was met een Duitse, niet-Joodse vrouw getrouwd en een tante was met een niet-Joodse man getrouwd. Die hebben het overleefd omdat de Duiters gemengd gehuwde joden (nog) met rust lieten. En de jongste drie kinderen, die ongetrouwd waren, hebben het ook overleefd. Zij waren ondergedoken. De andere ooms en tantes, die getrouwd waren, en kinderen hadden, zijn allemaal met hun kinderen weggevoerd. Eén oom woonde in Haarlem, één tante woonde in Zeist, en de anderen woonden in Amsterdam. Van hen heeft niemand de oorlog overleefd.’


Fred als baby, samen met zijn broers André en Robbie. Bron: Joods Monument

Begin 1943 werden ook de ouders en broertjes van Fred uit huis gehaald en gedeporteerd. Omdat Fred op dat moment ziek was, werd hij naar een buurvrouw gebracht. Zij brengt hem op haar beurt naar het politiebureau in de Linnaeusstraat. ‘Ik was best een zwak jongetje, ik had bronchitis. De bovenbuurvrouw van de Derde Oosterparkstraat had het adres van de met een niet-Joodse man getrouwde zuster van mijn vader, die in in de Watergraafsmeer woonde, waar ik in geval van nood naar toe gebracht moest worden. Toen het eenmaal zover was werd ze bang en bracht me naar het politieburau in de Linnaeusstraat. De dienstdoende agent bracht me toen naar het opgegeven adres.’ Freds ouders en broertjes worden vanuit Kamp Vught naar Sobibor gedeporteerd. Ze overleven de oorlog niet. Ook van de familie van zijn moederskant overleeft alleen een nicht de oorlog. Zijn oma van vaderskant overleed in 1944 op het adres waar ze met haar twee jongste dochters ondergedoken zat. Fred groeit op bij zijn tante, een zus van zijn vader, en zijn niet-Joodse oom. Omdat ze ‘gemengd gehuwd’ is wordt zijn tante niet gedeporteerd. Zij zijn ouders voor Fred geweest. ‘Mijn oom was blind, en mijn tante was eigenlijk zijn begeleider. Ze vormden een team. Mijn oom werkte bij de gemeente, maar hij werd ontslagen omdat hij geen ariërverklaring wilde en kon tekenen. Na de oorlog trad hij weer in dienst van de gemeente. Later, toen hij met pensioen ging, kwam hij erachter dat hij drie jaar pensioen niet uitgekeerd kreeg. Dat waren de jaren die hij niet had mogen werken. We vierden geen Joodse feestdagen, helemaal niet. We kwamen wel bij elkaar, wie er nog was, met verjaardagen bijvoorbeeld. Of het ongemakkelijk was, of er een leegte was? Niet in mijn herinnering. Dat merk je niet op, als kind. Naderhand realiseer ik me wel dat er weinig gelachen werd.’ Na de lagere school ging Fred naar de Joodse HBS in de Voormalige Stadstimmertuin. ‘Op school werd niet gepraat over wat er was gebeurd. Niet door de leerlingen, en niet door de leraren. Je had geen idee van elkaar wat je had meegemaakt. Heel veel van wat ik weet, weet ik uit overlevering. Ik was nog geen jaar toen mijn ouders en broertjes werden weggevoerd, dus dan heb je geen enkele herinnering. Alles is geleidelijk aan verteld. Met een heleboel dingen ben ik zelf de laatste jaren bezig geweest. Hoe ouder je wordt, hoe meer je in je verleden gaat duiken. Ik ben een paar keer naar Kamp Vught geweest. Daar is een monument van het kindertransport (van 6 en 7 juni 1943. Op die data zijn alle kinderen in het kamp, op 6 juni die van 0 tot 3 jaar en op 7 juni die van 4 tot 16 jaar, naar Sobibor gedeporteerd en op de dag van aankomst vergast). De namen van mijn broers staan ook op dat monument. Mijn ouders zaten ook op dat transport.


Ik heb struikelstenen besteld voor de Derde Oosterparkstraat 125, maar de wachttijd is één tot anderhalf jaar. Met mijn zoon heb ik het nooit veel over de oorlog gehad, maar hij is natuurlijk wel op de hoogte. Zijn dochter heeft een keer op 4 mei op Ereveld Loenen gestaan bij het graf van een leeftijdsgenoot. Wat je nu hoort, de antisemitische theorieën, de retoriek, daar word je niet vrolijk van. Het lijkt alsof het allemaal weer terugkomt.’


Fred tijdens de herdenking op 4 mei 2023. Fotografie: Caecilia van der Drift

49 weergaven

Recente blogposts

Alles weergeven

Comentários


bottom of page